De eenzaamheid van George Floyd

door René Waterreus

Samen met Sander ben ik Co-Founder van de School voor Eenzijn. Een lange periode van eenzaamheid bracht mij tot over de grens van het betamelijke. En daar, op de bodem, vond ik de weg naar buiten. Die inzichten wil ik niet voor mezelf houden!

De eenzaamheid van George Floyd

Als iets aantoont dat je in een groep eenzaam kunt zijn, is het wel de opkomst van Black Lives Matter-demonstraties. Hele subgroepen worden buitengesloten maar dat heeft zijn weerslag op de individuele beleving van elk van de leden van die subgroep. Ik kan me goed voorstellen dat gediscrimineerd worden voelt als een aanval op de persoon.

Maar kan ik daar echt een goede inschatting van maken? Van bovenaf beschouwd zit ik in het aangeklaagde kamp; ik ben een blanke man van middelbare leeftijd en mag op sociaal maatschappelijk gebied niet klagen over de kansen die het leven mij schenkt. Ik heb mijn plek in de samenleving niet hoeven bevechten en ik voel me thuis in de maatschappij waarin ik me beweeg.

Zelf ervaar ik geen discriminatie of racisme gericht op mijn persoon. Daarmee ontken ik het bestaan ervan niet, dat zie ik om heen uiteraard wel. Ik zie hoe ook in Nederland politieambtenaren en de belastingdienst etnisch profileren, hoe minderheden geconcentreerd samenleven in de minst prettige wijken van de stad en hoe een exotische achternaam op een CV minder vaak leidt tot een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek.

Mijn eigen rol

De ophef die is ontstaan na de dood van de Amerikaanse George Floyd, doet me steeds meer nadenken over mijn eigen rol in deze strijd. Natuurlijk ben ik tegen racisme of welke andere vorm van discriminatie dan ook. Maar ik geef daar niet actief uiting aan. De beelden die dagelijks op het nieuws voorbij komen van over de hele wereld ontroeren me en maken me ongemakkelijk maar ik voel me niet geroepen om naar het Malieveld te trekken en te gaan demonstreren. Hoe komt dat?

In eerste beschouwing kom ik uit bij schuldgevoel. Als ik mezelf en mijn omgeving tegen het licht houd, dan zie ik wel degelijk tekenen van discriminerend gedrag. Ik kan niet ontkennen dat ik ‘donkere’ wijken mijd als ik ’s avonds terugfiets naar huis. Waar komt die angst vandaan? Is er iets in mij dat vindt dat de inwoners van die wijken eerder geneigd zijn me van mijn fiets te beroven? Niet bewust nee. Toch heeft het idee van een te mijden gebied – en dus in feite een te mijden groep mensen – zich in mij vastgezet.

Onlangs betrapte ik mezelf op nog zo’n ingeprent denkbeeld. Ik woon in een portiekwoning. Eén van de appartementen was leeg komen te staan en werd opnieuw verhuurd. Iemand in mijn omgeving zei “Het is altijd maar afwachten wat je er voor terugkrijgt” en ik hoorde mezelf die opmerking beamen. Het appartement werd uiteindelijk weer bewoond. Ik had de nieuwe bewoners nog niet gezien maar ik liet me door een buurvrouw vertellen dat het ‘donkere mensen’ waren. In de dagen erna werd ik me plots bewust van een aantal zaken die me niet eerder waren opgevallen: ik rook regelmatig een sterke wietlucht in het portiek, de deur naar de kelder stond vaak open en ik hoorde ’s avonds veel vaker harde muziek in het gebouw.

Een dag later kwam ik erachter dat de harde muziek te maken had gehad met een meerdaagse bruiloft van mensen die een portiek verder woonden. Ik besefte dat ik onwillekeurig alle recent opgevallen fenomenen in mijn flat had toegeschreven aan de nieuwe bewoners. En dat deed twee vragen in mij rijzen: had überhaupt iets van wat mij was opgevallen te maken met de nieuwe bewoners? En, misschien nog wel belangrijker, waren deze zaken me ook opgevallen als mijn buurvrouw me had verteld dat er in de leegstaande woning een Nederlands stel was komen wonen?

Eerlijk gezegd weet ik het antwoord op beide vragen niet. Ik had hier graag willen schrijven dat ik bij de nieuwe buren had aangebeld om ze welkom te heten en zo te ontdekken dat het een jong, vriendelijk Nigeriaans gezinnetje was. Maar dat heb ik niet gedaan. Sterker nog, ik weet tot op de dag van vandaag niet wie er woont. En ik zal er uiteraard nooit achter komen hoe ik gereageerd zou hebben als me iets anders was verteld over wie er waren komen wonen.

Wellicht is dit sluimerende schuldgevoel over mijn eigen rol in het in stand houden van deze tweespalt in de samenleving wat me tegenhoudt om me hard uit te spreken tegen racisme en discriminatie.

Een objectievere benadering

Toch is dat niet het complete antwoord. Het schuldgevoel dat ik beschrijf is een betrekkelijk onbewust proces dat slechts af en toe aan de oppervlakte komt. Het speelt nauwelijks een rol als ik kijk naar een speech van een van de betogers die ik regelmatig op social media voorbij zie komen. Dat kan me tot tranen toe roeren en die emotie is echt.

Zuiver wetenschappelijk beschouwd is discriminatie een puur psychologisch proces. We filteren de wereld die we waarnemen, delen hem op in behapbare stukken. Daarbij komt de menselijke voorkeur om zaken in hokjes te stoppen naar voren. Zouden we dat niet doen, en bekeken we de wereld ongefilterd, dan zouden we snel ten prooi vallen aan waanzinnigheid door de enorme hoeveelheid informatie die dagelijks tot ons komt.

Maar dat proces is natuurlijk niet hetzelfde als het uitsluiten van mensen op basis van hun huidskleur, afkomst, geloof, seksuele geaardheid of welke andere eigenschap dan ook. Laat staan geïnstitutionaliseerd racisme.

Dat waartegen de miljoenen mensen wereldwijd nu opstaan, heeft maar deels te maken met van nature onbewuste processen die mensen nu eenmaal eigen zijn. Het gaat juist om bewust gecreëerde tegenstellingen en het bijbehorende uitsluitingsgedrag. De paradox hierin is dat veel van die tegenstellingen zo zijn vervlochten met wat wij tot onze beschaving rekenen, dat het inmiddels weer onbewuste denkbeelden zijn geworden. Misschien is dat het ongemak dat ik ervaar: het feit dat onbewuste denkbeelden die ik heb meegekregen, geconfronteerd met deze actualiteit, botsen met de bewuste gedachten die ik er over dit onderwerp op nahoud.

Waar zit de verbinding?

En daarmee kom ik weer op bekend terrein terecht. Mijn eigen eenzaamheid ging ook over conflicterende denkbeelden. In mijzelf streden ideeën over wat anderen van mij dachten en wat ik belangrijk vond voor mijzelf om voorrang. Heel lang won de meerderheid; er waren immers miljarden anderen en van mij was er maar één.

Ik voelde me onbegrepen, niet op mijn plek en alleen te midden van anderen en ik voelde me niet bij machte om die meerderheid het hoofd te bieden. Zo hield ik mijn eigen eenzaamheid in stand en discrimineerde in feite mezelf.

Ik ben ervan overtuigd dat er op existentieel niveau geen enkel verschil zit tussen het gevoel van onmacht dat ik ervoer en dat van de zwarte man die willekeurig wordt aangehouden en zich moet schikken naar de grillen van de politieagent. Beide hebben we het idee dat we een eenzame strijd leveren tegen iets dat groter is dan onszelf.

Sommige mensen zullen me nu hooghartigheid verwijten. Ze zullen zeggen dat ik mijzelf niet mag vergelijken met iemand uit een onderdrukte groep. En eerlijk gezegd verwacht ik deze reactie – vreemd genoeg – uit beide ‘kampen’. Maar dit is wat mij betreft geen hooghartigheid. Het is juist de realisatie dat we op het meest fundamentele niveau moeten dealen met dezelfde angsten en dezelfde emoties die verbindend is en niet onderscheidend.

Ja, natuurlijk zijn de gevolgen in de dagelijkse praktijk voor de zwarte man en mij wezenlijk anders. We leveren andere gevechten en voor hem zijn die gevechten wellicht zichtbaarder dan die van mij. Maar op persoonlijk niveau is de impact niet minder heftig.

Zeggen dat bepaalde mensen of groepen zich niet met elkaar mogen vergelijken – door wie dit ook wordt gezegd – is debet aan het in stand houden van gecreëerde tegenstellingen. Het schept een dichotomie die aan de basis ligt van, al dan niet geïnstitutionaliseerde, discriminatie en racisme.

Zolang we de discussie vanuit kampen voeren komen we geen steek verder. Het basale besef dat we allemaal strijden tegen de spoken buiten onszelf maakt ons allemaal in meer of mindere mate eenzaam. En in essentie is die eenzaamheid juist wat ons verbindt. Op existentieel niveau verschillen jij en ik in niets! Daar schuilt de ware betekenis van Eenzijn.

Ik besef dat dit geen gedachte is die de wereld in één klap verandert. Net zo goed als het mijn gevoel van eenzaamheid niet in één keer wegnam. Ik spreek er de hoop mee uit dat meer mensen, en uiteindelijk alle mensen, het aandurven om vanuit verbinding naar elkaar te kijken en de schijnbare verschillen achter zich te laten.

Een bericht schrijven