De gelaagdheid van mijn Ikken

door René Waterreus

Samen met Sander ben ik Co-Founder van de School voor Eenzijn. Een lange periode van eenzaamheid bracht mij tot over de grens van het betamelijke. En daar, op de bodem, vond ik de weg naar buiten. Die inzichten wil ik niet voor mezelf houden!

De gelaagdheid van mijn Ikken

Hij is één van mijn literaire helden: Arnon Grunberg. Dit jaar viel hem de eer te beurt om een rede te houden tijdens Nationale Dodenherdenking op 4 mei in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Het was een angstig lege kerk. Zijn woorden galmden over de hoofden van de schaarse aanwezigen. Maar het paste wel bij de gelegenheid. Waarom was dat eigenlijk niet eerder bedacht? Spreken tot de doden in een stille kerk geeft de woorden gepast gewicht.

Het gewicht was voor mij dubbel geladen. De toespraak van Grunberg ging natuurlijk primair over discriminatie en uitsluiting. Maar hoe vaker ik de tekst teruglees, hoe meer universele thema’s ik er in lees. Eén van die waarheden wil ik er hier uitlichten. En laat ik daarvoor beginnen met het stuk tekst dat mij het meest is bijgebleven:

Niets doet mensen zozeer naar een onwrikbare identiteit verlangen, als het vermoeden dat ze geen idee hebben wie ze zijn. En het is vaak de onwrikbare eigen identiteit, de weigering er speels mee om te gaan, die ertoe leidt dat de ander als een volstrekte vreemde en absolute vijand wordt gezien.

Dit kleine stukje tekst is voor mij zo gelaagd dat het me werkelijk duizelt. Ik weet bijna niet waar ik moet beginnen uit te leggen wat deze quote allemaal voor mij zegt. Maar ik zal een poging doen.

Ontbrekende identiteit

Door de filosofie van de School voor Eenzijn licht de term Identiteit telkens wanneer ik die tegenkom voor mij als het ware direct rood op. Identiteit is het middel waarmee we ons staande houden in de wereld maar is tegelijkertijd zo vaak een bron van innerlijke strijd. Het model dat we tijdens onze leerweg gebruiken bevat meer lagen waarin we kunnen vastlopen. Maar verreweg het vaakst – en  over het algemeen het hardst – zetten we onszelf vast op het niveau van Identiteiten.

Ik ben daar zelf uiteraard geen uitzondering op. Als ik reflecteer op mijn eigen periodes van eenzaamheid en momenten dat het slecht met me ging, kom ik altijd uit op dat niveau. In mijn vorige blog besprak ik al het ogenschijnlijke gebrek aan identiteit dat ik lang heb ervaren.

Maar een echt ontbreken was dat natuurlijk niet. Ik bouwde mijn ‘Ik’ op uit wat ik dacht dat anderen van mijn verlangden. Gespiegelde verwachtingen dus. Over die anderen kan dat natuurlijk niets zeggen, ik checkte immers niet of wat ik dacht waar was. Het was een onbewust proces. Maar daarmee was de identiteit die ik opbouwde dus wel degelijk mijn eigen fabricaat.

Een derde Ik

Toch voelde dat niet zo. En daarmee was de weg omlaag ingezet. Want enerzijds geen idee hebben wie je bent en anderzijds alleen maar opleven aan de verwachtingen van anderen is een onhoudbare situatie. Ongewild en ongemerkt vermenigvuldigden de Ikken; naast het gebrek aan een gevoel van identiteit en het Zelf dat ik me naar de buitenwereld toe aanmat, ontstond er een derde, naar binnen gerichte, identiteit die geen enkel ander doel had dan dat ellendige gevoel te omzeilen.

Mijn derde Ik was geen prettige. Hij kon het daglicht letterlijk en figuurlijk niet verdragen. Het was geen verkozen identiteit. Ik wilde hem niet zijn maar kon lang evenmin tegenwicht bieden aan zijn bestaan. Het ging zo ongemerkt dat er geen ontkomen aan was.

Zijn ontstaan was het welhaast mathematische gevolg van de frictie tussen mijn andere Ikken. Maar dan wel vanuit een soort omgekeerde wiskunde; hier was plus keer plus min in plaats van andersom. De twee zichtbare varianten op mezelf maakten de derde onzichtbare bijna noodzakelijk. En daarmee werd ik voor minimaal een derde de slechtst denkbare versie van mezelf.

Veroordeeld Ik

In de loop der jaren leerde ik waar mijn identiteit wel en niet in zat. Ik zag in dat ik niet minder bestaansrecht had wanneer ik niet voldeed aan de grillen en nukken van mijn omgeving. En daarmee ontstond de ruimte om te weten te komen wie ik ben.

Maar die diepzwarte versie die ik een tijdlang was geweest, had wel zijn sporen nagelaten. Misschien nog wel meer op anderen dan op mezelf. En daarover voelde ik wroeging. Dat deel van mezelf kon ik niet uitstaan, wat weer een nieuwe vorm van eenzaamheid opriep.

De herkenning in de quote van Arnon Grunberg is dan ook vooral een herkenning in mezelf; mijn onwrikbare identiteit, mijn onvermogen om daar speels mee om te gaan, leidde ertoe dat ik dat deel van mezelf als volstrekte vreemde en absolute vijand zag.

Gelukkig ligt ook dat proces al weer een tijd achter me. Mijn zwartste Ik maakt deel uit van alle identiteiten die ik gehad heb en zal hebben. Dat deel in mezelf veroordelen verandert daar niets aan en maakt dan ook geen onderdeel uit van het pad naar Eenzijn.

Nabeeld

Wat overblijft voor mij is het nabeeld van dat stukje Zelf. Anderen hebben last gehad van mijn onvermogen mijzelf te kennen. En iemand die iets aangedaan wordt, heeft het recht dat te veroordelen. Daardoor zal dat stukje van mij dus voor altijd ook buiten mijzelf blijven bestaan.

Het terrein waar Grunberg over spreekt, discriminatie, is natuurlijk over het algemeen een proces tussen mensen. Maar ik weet inmiddels door schade en schande dat het in eerste aanleg altijd begint met het herkennen en erkennen van dat soort stromen in jezelf.

Op existentieel niveau verschillen wij in niets van elkaar. En dus kan je de vraag stellen of geuite discriminatie wellicht primair het buitensluiten van het ongekende of ongewilde deel van onszelf is. Alleen die vraag al maakt mijn blik op mezelf en anderen milder.

Een bericht schrijven